Biologisch fruit, mm, bioaardbeitjes, appels, peren, bananen, ... Biofruit is populair bij de Vlaamse consument, die sowieso tuk is op verse groenten en fruit. Bijna de helft van de Vlaamse gezinnen (of 47,62%) koopt wel eens biologisch fruit.

Vooral biobananen en -citroenen zijn erg in trek, naast sinaasappelen en kiwi’s. Fruit van eigen bodem is natuurlijk op z’n best in zijn eigen seizoen. Laat die kiwi’s dus even links liggen en kies resoluut voor fruit van hier! Zo werk je ook mee aan duurzaamheid.

Vruchtbare, levende bodem

  • Biofruit telen, hoe gaat dat in z'n werk? In bio begint alles bij een vruchtbare, levende bodem, dus ook in de fruitteelt. Biofruit wordt altijd in volle grond geteeld, ook als de teelt in serres gebeurt. Hydrocultuur (i.e. het kweken van planten in water met voedingsstoffen) ga je dus niet vinden in bio, omdat er 100% wordt ingezet op de groeikracht en sterkte van de bodem.
  • De bodem is van nature vruchtbaar en bio houdt dat zo veel mogelijk in stand met zorgvuldig beheer. De bioboer werkt dus voortdurend aan het bevorderen van het bodemleven. Dat bodemleven bestaat uit allerhande wezens en insecten, gaande van bacteriën en schimmels tot spinnen en regenwormen. Zij zorgen er samen voor dat het voedsel uit mest en compost door de planten kan worden opgenomen.

Hoe wordt biofruit geteeld?

  • De fruitteler kiest bij voorkeur robuust plantgoed: sterke biologische plantenrassen die schimmel en ziektes goed de baas kunnen.
  • Biofruit groeit in volle grond en wordt gevoed met dierlijke mest (van biodieren) en organische compost – zeker geen kunstmest dus.
  • Hoewel teeltrotatie belangrijk is in bio, ligt dat voor fruit anders. Fruit is meestal meerjarig (i.e. een plant die verschillende jaren groeit en vruchten draagt), en dan is er geen teeltrotatie mogelijk. Dit is ook het geval bij fruitbomen. De bodem wordt dan op andere manieren vruchtbaar gehouden, o.a. door te bemesten of door schapen tussen de bomen te laten grazen.

Hoe pakt de bioteler plagen, insecten en onkruid aan?

  • Ziektes en plagen probeert de bioteler in eerste instantie te vermijden, bv. door iets breder te planten (> betere ventilatie), en door bloemenranden rond het perceel te zaaien (trekt bepaalde insecten aan om plagen te bestrijden). Als die maatregelen niet voldoende zouden werken, mag de bioboer een zeer beperkt aantal natuurlijke middelen inzetten.
  • Om schadelijke insecten en mijten aan te pakken, worden netten of bepaalde insecten of zelfs vogels ingezet. Lieveheersbeestjes, bijvoorbeeld, lusten heel graag bladluizen! Nuttige insecten kunnen dus planten beschermen tegen schadelijk ongedierte. Chemische gewasbeschermingsmiddelen zijn uit den boze.
  • Een ander middel waarmee je insecten kunt misleiden is feromonen oftewel seksuele lokstoffen. Vooral bij de fruitmot en bladrollers (mottensoort) wordt dit gebruikt -- de fruitmot is een grote boosdoener in de boomgaard omdat hij wormstekigheid in de vruchten veroorzaakt. Hoe werkt het? In de fruitbomen hangt de teler dispensers met geurstof met feromonen op. De geurstof verwart de mannetjes waardoor ze de vrouwtjes niet meer kunnen vinden. Daardoor wordt de voortplanting van de fruitmot gedwarsboomd.
  • Telers kunnen ook een feromoonval gebruiken. Dat is een open ‘huisje’ met op de bodem een kaart met niet-drogende lijm. Een dop op de bodem bevat de lokstof van een vrouwtjesinsect. De mannetjes komen op de geur af en … blijven plakken in de lijm. Er bestaan feromoonvallen voor bv. het fruitmotje, de wintervlinder, de eulia, de gestippelde houtvlinder, …
  • Onkruid wordt meestal met machines omgewoeld en geschoffeld. Door de bodem rond fruitstruiken te bedekken met stro, roept de bioboer de groei van onkruid een halt toe. Hij mag in geen geval gebruik maken van chemische gewasbeschermingsmiddelen.

Meer biodiversiteit

  • Omdat bioboeren zorgvuldig omgaan met de natuur, zorgen voor bebloemde akkerranden én vaak meer gevarieerde rassen telen (met name rassen met een grotere natuurlijke ziekteresistentie), is er op biologische akkers maar liefst 30% meer biodiversiteit aanwezig. Biodiversiteit kun je definiëren als het aantal soorten dat voorkomt op het land, zowel planten als dieren.
  • Waarom is die biodiversiteit belangrijk? De bloemen, akkerkruiden en grassen in de akkerranden zorgen voor beschutting en voedsel voor akkervogels en stimuleren de aanwezigheid van insecten als lieveheersbeestjes, zweefvliegen en kevers, die op hun beurt als natuurlijke plaagbestrijders fungeren. Deze natuurlijke ‘vijanden’ (van schadelijke insecten) vinden er een gunstig microklimaat, beschutting in de winterperiode en alternatief voedsel. In het voorjaar, bij het opduiken van de eerste plagen, kunnen deze vijanden het gewas intrekken en zich tegoed doen aan de eerste plaaginsecten. Op die manier wordt een plotse, snelle uitbraak van een plaag voorkomen.
  • Lees hier meer over het hoe en waarom van biodiversiteit.

Paar cijfers

  • Vanwege de populariteit van biofruit in Vlaanderen is het niet verrassend dat zijn marktaandeel in de fruitsector met 4,4% hoger ligt dan het globale marktaandeel van bio.
  • Het populairste biofruitsoorten van eigen bodem zijn Jonagold en Elstar appels en Conference peren.
  • Van de Vlaamse bioboeren is 15% gespecialiseerd in fruitteelt. In Vlaanderen telen zij fruit op 8% van de beschikbare biogronden.

Hoe herken je biologisch fruit?

  • Je herkent biologische groenten aan het bekende groene EU-biologo en door de wettelijk beschermde term ‘biologisch’. Tegenwoordig staat deze info soms zelfs ‘gestempeld’ op de groenten – zo wordt een aparte verpakking voor bioproducten overbodig.
  • Bij onverpakt biofruit kan je de kistkaart checken. Die vermeldt van welk bedrijf het product afkomstig is.

Lees ook