Biologische rundveehouders kiezen bewust voor een diervriendelijke aanpak. De runderen krijgen voldoende ruimte in de stal en lopen veel buiten in de weide. Ze eten biologisch gras en ook ruwvoeder.

Sterke rassen

  • De biorundveeteler kiest om te beginnen robuuste rassen die zich goed kunnen aanpassen aan de lokale omstandigheden en die beter bestand zijn tegen ziektes.
  • Deze runderen zijn meestal relatief slank en kunnen vlot afkalven (een kalf werpen), keizersnedes zijn dus zelden nodig.
  • Veel voorkomende biorassen zijn de Franse Blonde d’Aquitaine en Limousin, het Britse Hereford rund en diverse Vlaamse dubbeldoelrassen (die zowel vlees als melk leveren) zoals Kempens Rood Bont, Wit Rood van Oost-Vlaanderen en Rood van West-Vlaanderen.
    Biokoeien in de wei bij het Ranke Riet - (c) VLAM

Mals gras in de wei

  • Vrije uitloop is wettelijk verplicht in bio. Biorunderen besteden dus heel wat tijd in de weide, waar ze naar hartenlust biologisch gras kunnen eten.
  • In de winter gaan de dieren op stal, maar ook dan krijgen ze toegang tot een beperkte buitenruimte zodat ze een frisse neus kunnen halen.
  • Een belangrijk aspect is dat in de bioveeteelt het principe van de grondgebondenheid wordt gehanteerd. Dat betekent dat het aantal dieren in de wei beperkt wordt om overbegrazing, bodemerosie en te veel mest te voorkomen. M.a.w.: de bioboer heeft meer vierkante meters per dier nodig dan een gangbare boer, en dat zowel binnen als buiten. Daardoor ligt de opbrengst per hectare lager en stijgt de kostprijs van melk en vlees.

Veel ruimte in de stal

  • Ook in de stal krijgen de dieren voldoende ruimte om zich zonder problemen te bewegen, te draaien of om te gaan liggen, en dat verhoogt uiteraard hun welzijn. Ze genieten er van frisse lucht, meestal ook daglicht, en biologisch voeder.
  • Kalfjes onder de 100 kg krijgen minstens 1,5m² ruimte binnen, d.w.z. een schone ligruimte met droog strooisel. De ruimte loopt gradueel op naarmate het dier groeit. Een volwassen biokoe krijgt minstens 6 m² stalruimte.
  • Maximaal de helft van de binnenruimte mag bestaan uit latten- of roosterconstructies (om mest op te vangen); de rest van de oppervlakte moet dicht zijn, met een vlakke vloer waarop de dieren niet uitglijden.
  • De mest uit de stal wordt op biologische teeltgronden gebruikt.
    Stal met biokoeien bij Het Ranke Riet - (c) VLAM

Mmm, biologisch voeder

  • Biologische runderen krijgen uiteraard biologisch voeder te eten. Om te beginnen vers gras van de bioweides. De meeste runderen grazen vanaf het voorjaar tot het najaar buiten in de wei. Ze zijn dan vaak de hele dag buiten, ook ’s nachts.
  • Naast vers gras krijgen biorunderen ook biologisch ruwvoeder (grasklaver) en biologisch krachtvoeder. Ten minste 60% hiervan moet de bioboer zelf telen of bij een ander biologisch landbouwbedrijf uit de regio aankopen. In het voer zijn alle ingrediënten van ggo-teelten verboden.

Slanke biokoeien, vlotte bevalling

  • Biokoeien worden in principe op de natuurlijke manier bevrucht, maar kunstmatige inseminatie is ook toegelaten. Wat niet mag is de voortplanting stimuleren of de bronst synchroniseren met hormonen of gelijkaardige stoffen. Ook klonen en embryotransplantatie zijn verboden.
  • De koeien moeten normaal kunnen bevallen, en vaak doen ze dat zelfs alleen in de wei, zonder hulp. Dat komt omdat ze relatief slank, maar toch robuust zijn. Daarmee vermijdt de biologische veehouder een keizersnede, en dus ook de bijhorende antibiotica en pijnstilling.

  • De gemiddelde draagtijd van een koe is 9 maanden, net als bij de mens. De toekomstige moederdieren mogen rustig groeien: ze krijgen hun eerste kalfje pas als de koe 2,5 à 3 jaar oud is. De moederkoe wordt goed verzorgd en kan wel tien jaar of ouder worden.
  • Biokalfjes moeten ten minste drie maanden melk drinken. Ondertussen leren ze ook ruwvoeder eten en zo kunnen ze dan mee eten met de rest van de kudde.
  • Trouwens: in bio vind je bijna geen kalfsvlees omdat het vlees van biokalfjes donkerder is dan wat de consument verwacht (nl. lichtroze). In het vele gras dat de dieren eten, zit immers een hoog ijzergehalte.

Wat met een zieke biokoe?

  • In de biologische veehouderij gaat veel aandacht naar ziektepreventie. Als een biodier toch ziek wordt, zal de dierenarts de meest passende geneesmiddelen voorschrijven. Bij voorkeur zijn dat homeopathische of fytotherapeutische (kruiden en planten) middelen, of sporenelementen, vitaminen of mineralen.
  • Is er echt geen andere oplossing om het dier te helpen, dan mag de dierenarts klassieke geneesmiddelen voorschrijven, zoals antibiotica. In dat geval moet de bioveeboer een dubbele wachttijd respecteren (t.o.v. in gangbaar) voordat hij het behandelde dier weer als ‘biologisch’ mag verkopen. Zo ben je als consument zeker dat er geen residuen van die medicatie in het biovlees op je bord terecht komen.

Biocontrole garandeert biokwaliteit

  • Alle voorschriften van de biowetgeving met betrekking tot de veehouderij worden gecontroleerd door een erkende biocontrole-organisatie, en dat in alle schakels van de keten.
  • Voor rundvlees betekent dit een controle bij de veehouder, de transporteur, het slachthuis, het bedrijf dat het vlees verwerkt of verpakt, de distributeur én het verkooppunt.
  • Hoe werkt zo'n controle-organisatie?

Hoe herken je biorundvlees?

Probeer ook eens een stukje smakelijk biorundvlees! Je herkent het aan het bekende EU-biologo en door de wettelijk beschermde term ‘biologisch’.

Meer lezen

-/-

Met dank aan Biomijnnatuur.be.